Een stichting is een juridische entiteit die is opgericht door één of meerdere oprichters die vermogen toewijzen, bij leven of via testament, voor de realisatie van een specifiek onbaatzuchtig doel. Ze wordt gereguleerd door de wet van 27 juni 1921 (gewijzigd in 2002) en is een non-profitorganisatie zonder leden of aandeelhouders, beheerd door een raad van bestuur van minimaal drie bestuurders. De stichting is bedoeld om te blijven bestaan na het overlijden van de oprichter(s). Sinds 2002 worden er twee soorten stichtingen onderscheiden:
Deze stichtingen streven één van de wettelijk bepaalde doelen van openbaar nut na: filantropisch, religieus, wetenschappelijk, artistiek, educatief, filosofisch of cultureel. Hun statuten moeten worden goedgekeurd door de Minister van Justitie en zij verkrijgen rechtspersoonlijkheid bij Koninklijk Besluit.
Opgericht door de wet van 2002, is het voor private stichtingen ook mogelijk om vermogen toe te wijzen aan een onbaatzuchtig doel, dat algemeen of privé kan zijn, zoals het behoud van familievermogen. In tegenstelling tot de SON’s is voor hun oprichting alleen een notariële akte vereist, zonder overheidsgoedkeuring. Een private stichting kan worden omgezet in een stichting van openbaar nut.
De giften onder levenden die 100.000 € overschrijden moeten een machtiging krijgen van de Minister van Justitie of zijn afgevaardigde. Elke vrijgevigheid wordt geacht te zijn gemachtigd wanneer de Minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger niet heeft gereageerd binnen een termijn van drie maanden te rekenen van het aan hem gericht verzoek tot machtiging (artikel 11:15).
Deze machtiging is niet vereist voor de aanneming van giften onder de vorm van een handgift zelfs wanneer de waarde hoger is dan 100.000 €.
Alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders, website en andere stukken, al dan niet in elektronische vorm, uitgaande van een stichting moeten de volgende gegevens vermelden (artikel 2:20) :
Eenieder die tussenkomt voor een stichting in een document zoals hoger vermeld waarin één van deze gegevens niet wordt vermeld, kan persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor alle of een deel van de verbintenissen die aangegaan zijn door de stichting (artikel 2:22).
De leden van bestuursorganen zijn collegiaal of alleen verantwoordelijk ten aanzien van de stichting voor de fouten begaan in de uitvoering van hun opdracht en jegens derden voor buitencontractuele fouten.
Ze zijn slechts aansprakelijk voor beslissingen, daden of gedragingen die zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders, geplaatst in dezelfde omstandigheden, redelijkerwijze van mening kunnen verschillen.
Ze zijn evenwel van hun aansprakelijkheid ontheven voor fouten waaraan ze geen deel hebben genomen en indien ze de beweerde fout hebben gemeld aan de raad van bestuur. Deze melding alsook de besprekingen hierover worden in de notulen van de vergadering opgenomen (artikel 2:56).
Anderzijds, in functie van de grote van de stichting, is hun aansprakelijkheid beperkt tot de volgende bedragen (artikel 2:57 §1) :
Het gemiddelde van de omzet en van het balanstotaal worden berekend op basis van de bedragen verwezenlijkt in de drie boekjaren voorafgaand aan de instelling van de aansprakelijkheidsvordering of , bij gebrek, over de periode sinds de oprichting.
Behalve uitzonderingen (artikel 2:57 §3), gelden de aansprakelijkheidsbeperkingen tegenover alle betrokken personen samen, per feit of geheel van feiten, ongeacht het aantal eisers of vorderingen (artikel 2:57 §2).
De statuten kunnen bepalen dat de raad van bestuur het dagelijks bestuur alsook de vertegenwoordiging van de stichting wat dat bestuur betreft, kan opdragen aan één of meer personen die alleen, gezamenlijk of collegiaal optreden. Deze bepaling kan aan derden worden tegengeworpen mits publicatie in het Belgisch Staatsblad. Beperkingen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen niet aan derden worden tegengeworpen, ook al zijn ze gepubliceerd (artikel 11:14).
Het WVV bepaalt dat het dagelijks bestuur zowel de handelingen en de beslissingen die niet verder reiken dan de behoeften van het dagelijks leven van de stichting als deze die, ofwel om reden van hun minder belang dat ze vertonen, ofwel omwille van hun spoedeisend karakter, de tussenkomst van de raad van bestuur niet rechtvaardigen, omvat.
De raad van bestuur vertegenwoordigt de stichting in alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen. Evenwel, kunnen de statuten aan één of meerdere bestuurders de bevoegdheid verlenen om de stichting alleen, gezamenlijk of collegiaal te vertegenwoordigen. Zodanige clausule kan aan derden worden tegengeworpen mits publicatie in het Belgisch Staatsblad.
De statuten kunnen aan deze vertegenwoordigingsbevoegdheid beperkingen aanbrengen. Zodanige beperkingen kunnen niet aan derden worden tegengeworpen, ook al zijn ze gepubliceerd (artikel 11:7 §2).
De bestuurders kunnen overeenkomen de taken onderling te verdelen maar deze verdeling kan niet aan derden worden tegengeworpen, ook al is ze gepubliceerd (artikel 11:7 §1).
Ja, beslissingen kunnen bij eenparig schriftelijk besluit van de bestuurders worden genomen, met uitzondering van die waarvoor de statuten deze mogelijkheid uitsluiten (artikel 11:10).
Het WVV (artikel 11:8) bepaalt dat er een belangenconflict bestaat wanneer een bestuurder een rechtstreeks of onrechtstreeks belang van vermogensrechtelijke aard heeft dat strijdig is met het belang van de stichting. In dat geval moet hij dit melden aan de andere bestuurders vóór de raad van bestuur een beslissing neemt. Zijn verklaring en toelichting over de aard van dit strijdig belang worden opgenomen in de notulen van de vergadering gedurende dewelke de beslissing is genomen. De betrokken bestuurder mag niet deelnemen aan de beraadslaging nog aan de stemming over deze beslissing.
Is er slechts één bestuurder of hebben alle bestuurders een belangenconflict dan kunnen ze de beslissing nemen.
Er bestaat geen belangenconflict wanneer de beslissingen betrekking hebben op gebruikelijke verrichtingen die plaatsvinden onder de voorwaarde en tegen de zekerheden die op de markt gewoonlijk gelden voor soortgelijke verrichtingen.
Bij gebrek aan andersluidende statutaire of WVV bepalingen, zijn de gewone regels van de beraadslagende vergaderingen van toepassing (artikel 2:41). Beslissingen mogen dus genomen worden met gewone meerderheid van de aanwezige en vertegenwoordigde leden, de afwezigen, de ongeldige stemmen en de onthoudingen uitgesloten.
Bovendien moeten het opstellen van een intern reglement (artikel 2:59) en de mogelijkheid zich te laten vertegenwoordigen door een andere bestuurder (artikel 11:10) in de statuten zijn voorzien.
De raad van bestuur dient samengesteld te worden uit minimum 1 lid (artikel 11:6).
De leden van de raad van bestuur mogen natuurlijke personen of rechtspersonen zijn. In dit laatste geval benoemt de rechtspersoon een natuurlijke persoon als vaste vertegenwoordiger die wordt belast met de uitvoering van het mandaat van bestuurder in naam en voor rekening van de rechtspersoon. Deze vertegenwoordiger moet aan dezelfde voorwaarden voldoen als de rechtspersoon en is hoofdelijk met hem zowel burgerlijk als strafrechtelijk aansprakelijk. Hij kan niet in eigen naam nog als vertegenwoordiger van een andere rechtspersoon-bestuurder zetelen in het orgaan. De rechtspersoon mag de vaste vertegenwoordiging niet beëindigen zonder tegelijkertijd een opvolger te benoemen (artikel 2:55).
Het doel is de doelstelling die de stichting wenst gerealiseerd te zien, de reden zelf waarom zij werd opgericht. Het doel van de stichting moet belangeloos zijn. Om als stichting van openbaar nut te worden erkend, moet het doel van openbaar nut zijn, dit wil zeggen, gericht zijn op het verwezenlijken van een werk van filantropische, levensbeschouwelijke, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische of culturele aard (artikel 11:1). Het doel van de stichting dient duidelijk te worden omschreven in de statuten (bijvoorbeeld: strijden tegen een welbepaalde ziekte, bewaren en tentoonstellen van de werken van een kunstenaar…).
De activiteiten zijn de middelen die de stichting aanwendt om haar doelstelling te bereiken. De statuten moeten niet uitvoerig alle activiteiten die de stichting zal ondernemen omschrijven. Ze kunnen een indicatieve lijst van haar belangrijkste activiteiten opnemen (ter verduidelijking: de stichting kan eventueel beroep doen op de vrijgevigheid van het publiek, projecten ter bevordering van het wetenschappelijk onderzoek financieren, colloquia of informatievergaderingen organiseren…).
De statuten moeten de volgende vermeldingen bevatten (artikelen 2:5 §3 en 2:11 §2):
De oprichtingsakte vermeldt ook:
Iedere wijziging van de gegevens 3 tot 6 moet bij authentieke akte worden vastgesteld.
Bovendien, voor stichtingen van openbaar nut, moet iedere wijziging van punt 3 door de Koning worden goedgekeurd.
De private stichting verkrijgt de rechtspersoonlijkheid
vanaf de dag van de neerlegging op de griffie van de ondernemingsrechtbank van haar zetel van de volgende documenten (artikelen 2:6 §4 en 2:11 §1) :
De stichting van openbaar nut verkrijgt de rechtspersoonlijkheid op de datum van het koninklijk besluit waarbij ze wordt erkend. Met het oog hierop wordt de oprichtingsakte meegedeeld aan de Minister van Justitie met het verzoek rechtspersoonlijkheid te verlenen en de statuten goed te keuren. Alles wordt verstuurd naar Federale overheidsdienst Justitie – Algemene Dienst Wetgeving, Vrijgevigheden en Fundamentele Rechten – Internationale Verenigingen en Stichtingen, Waterloolaan 115, 1000 Brussel. Eens het koninklijk besluit ondertekend gaat de stichting over tot de hierboven vermelde neerlegging.
De wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verengingen (WVV) en houdende diverse bepalingen (verschenen in het Belgisch Staatsblad van 4 april 2019) heft de wet van 27 juni 1921, gewijzigd door de wet van 2 mei 2002, betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, op.
Het WVV is op 1 mei 2019 in werking getreden en is onmiddellijk van toepassing op nieuwe stichtingen. Voor die die vóór deze datum bestonden zijn de dwingende bepalingen ( bv : aansprakelijkheid van bestuurders, belangenconflict) vanaf 1 januari 2020 van toepassing.
De aanvullende bepalingen zijn alleen van toepassing indien ze niet in strijd zijn met die van de statuten.
De statuten moeten in overeenstemming met de nieuwe wetsbepalingen worden gebracht ter gelegenheid van hun eerste wijziging en uiterlijk vóór 1 januari 2024, op straffe van verantwoordelijkheid van de bestuurders.
De stichting is een rechtspersoon zonder leden, opgericht door één of meer personen (natuurlijke personen of rechtspersonen), stichters genoemd. Haar vermogen wordt bestemd om een belangeloos doel na te streven in het kader van één of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft. Zij mag rechtstreeks nog onrechtstreek enig vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan haar stichters, haar bestuurders of enig andere persoon, behalve voor het in de statuten bepaald belangloos doel. Het WVV verduidelijkt wat als onrechtstreekse uitkering van een vermogensvoordeel wordt beschouwd (artikel 1:4).
De stichting wordt opgericht bij authentieke akte, dit betekent dat de statuten in een notariële akte moeten worden opgenomen.
Een stichting kan worden erkend als zijnde van openbaar nut indien zij gericht is op de verwezenlijking van een werk van filantropische, levensbeschouwelijke, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische of culturele aard. Het openbare karakter van een stichting wordt erkend bij koninklijk besluit (artikel 11:1).
De stichtingen die erkend zijn als zijnde van openbaar nut dragen de benaming “stichting van openbaar nut” (SON). De andere stichtingen dragen de benaming “private stichting” (PS).
Niet alleen het gebruik van de rechtsvorm van stichting is voorbehouden aan rechtspersonen die het geldig hebben aangenomen maar ook de benaming van de stichting wordt beschermd (artikel 2:3 §1).
De stichting die op de balansdatum van het laatste afgesloten boekjaar, meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:
moet één of meer commissarissen, leden van het Instituut van Bedrijfsrevisoren, belasten met de controle van haar financiële toestand, haar de jaarrekening en van de regelmatigheid, in het licht van de wet en de statuten, van de verrichtingen die in de jaarrekening moeten worden vastgesteld (artikel 3:51 §6).
De wijze waarop de jaarrekening moet worden opgemaakt en het te volgen schema zijn afhankelijk van de omvang van de stichting. Er zijn vier scenario’s:
Scenario 1: Vereenvoudigde boekhouding
De kleine stichtingen, microstichtingen inbegrepen, die op de balansdatum van het laatste afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden:
kunnen hun jaarrekening opmaken volgens een vereenvoudig model (artikel 3:51 §2), dat wil zeggen dat ze een enkele rekening van het type “debet-credit” kunnen gebruiken in plaats van dubbele boekhouding.
Scenario 2: Microschema
De microstichting (artikel 1:31) die op de balansdatum van het laatste afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:
kan haar jaarrekening opmaken volgens een micromodel (artikel 3:51 §4 en K.B. 29 april 2019, B.S. 30 april 2019).
Scenario 3: Verkort schema
De kleine stichting (artikel 1:30) die op de balansdatum van het laatste afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:
kan haar jaarrekening opmaken volgens een verkort model (artikel 3:51 §3 en K.B. 29 april 2019, B.S. 30 april 2019).
Deze bepalingen zijn niet van toepassing op stichtingen die zijn onderworpen aan bijzondere regels, uit een wetgeving of een overheidreglement, voor zover deze minstens gelijkwaardig zijn aan die hierboven (artikel 3:51 §5).
Scenario 4: Volledig schema
Stichtingen die niet onder de drie bovengenoemde scenario’s vallen, worden als grote stichtingen beschouwd en dienen hun jaarrekening op te maken op basis van het volledige model.
Ten laatste binnen zes maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar maakt de raad van bestuur de jaarrekening van het voorbije boekjaar op, alsook de begroting van het volgende boekjaar (artikel 3:51 §1), dat wil zeggen vóór 30 juni van het volgend jaar als het boekjaar overeenkomt met het kalenderjaar.
De goedgekeurde jaarrekening moet op de griffie van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de stichting worden neergelegd.
De jaarrekening van stichtingen die op de balansdatum van het laatste afgesloten boekjaar meer dan één van de volgende criteria overschrijdt :
moet worden neergelegd bij de Nationale Bank van België (artikel 3:51 §7).
Normaliter zijn stichtingen van openbaar nut, zoals de andere rechtspersonen onderworpen aan de Belasting van Rechtspersonen, belast via de roerende voorheffing weerhouden op de financiële inkomsten van hun beleggingen.
Niettemin voorziet artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 mei 1994 dat wordt verzaakt aan het innen van de roerende voorheffing voor sommige categorieën van personen.
Bij de personen opgesomd in dit artikel 4 zouden de stichtingen van openbaar nut kunnen worden geviseerd door punt 10°. Dit punt laat echter het verzaken aan de roerende voorheffing voor de rechtspersonen die deel uitmaken van de sector van de overheidsdiensten toe, en alleen op de inkomsten van effecten uitgegeven door rechtspersonen die deel uitmaken van de sector van de overheidsdiensten.
Een stichting van openbaar nut zou dus deel kunnen uitmaken van de sector van de overheidsdiensten. Om het te weten, moet men terug gaan naar de omschrijving bevat in het Europees reglement n° 3605/93 van de Raad van 22 november 1993 en, in geval van twijfel, de Minister van Financiën ondervragen.
http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:31993R3605:NL:HTML
De stichtingen van openbaar nut en de private stichtingen kunnen, in bepaalde gevallen, onderworpen zijn aan de BTW, wanneer zij geregeld een economische activiteit (productie, levering van goederen of diensten – artikel 4 van het BTW-wetboek) uitoefenen.
Verschillende activiteiten zijn vrijgesteld van BTW, zoals diensten geleverd door ziekenhuizen, instellingen voor bejaardenzorg, diensten voor gezinshulp, inrichtingen voor lichamelijke opvoeding of sportactiviteiten, onderwijs, bibliotheken, mediatheken en musea, diensten geleverd door de organisatoren van culturele manifestaties, ….(artikel 44 BTW-Wetboek).
Sommige stichtingen kunnen als gemengd belastingplichtige onderworpen zijn aan de BTW, wanneer een deel van hun activiteiten onderworpen is aan deze belasting en een ander deel niet.
Dit is bijvoorbeeld het geval, wanneer een stichting, eigenaar van een museum, een restaurant uitbaat in dit museum. De activiteiten met betrekking tot de uitbating van het museum zijn, in principe, vrijgesteld van BTW, de activiteiten van het restaurant zijn daarentegen onderworpen aan de BTW.
Raadgeving: Wij raden elke stichting aan, alvorens zij een activiteit begint of wanneer zij deze wijzigt, na te gaan of deze activiteit al dan niet geheel of gedeeltelijk onderworpen is aan de BTW.
Sinds 1989, zijn de gewesten bevoegd voor het vastleggen en wijzigen van de belastingsvoet, belastbare grondslagen alsook de vrijstellingen in verband met de successierechten. Hier volgt een overzicht van de belastingtarieven die op 1 augustus 2021 van kracht waren voor legaten aan stichtingen (met tussen haakjes het overeenkomstige artikel in het Wetboek van Successierechten):
1. Stichtingen van openbaar nut (SON)
2. Private stichtingen (PF)
Termijn bij schenkingen roerende goederen
Bij sterfte na een schenking van een roerend goed (bv. geld of een kunstwerk) geschonken worden door een natuurlijk persoon met fiscale domicilie in Wallonië en dat niet via notariële akte werd vastgelegd (onroerende goederen zijn per definitie geregistreerd), kan men sinds 1 januari 2022 (Waals decreet over de verlenging van successierechten) successierechten vorderen op het geschonken goed tot 5 jaar terug, terwijl dit voordien tot 3 jaar was.
Heeft de schenker zijn fiscale domicilie in Vlaanderen of Brussel, dan blijft de termijn van 3 jaar nog steeds gelden.
Registratie onroerende schenking online
Sinds 1 mei 2022 kan de registratie van een onroerende schenking online via MyMinfin, het onlineplatform van de FOD Financiën. Bewijsstukken kunnen opgeladen worden en de behandeling van de aanvraag kan online opgevolgd worden.
Sinds 1989, zijn de gewesten bevoegd voor het vastleggen en wijzigen van de belastingsvoet, belastbare grondslag, alsook voor de vrijstellingen in verband met schenkingsrechten.
De actuele situatie kan als volgt worden samengevat:
Een schenking of een ‘inbreng om niet’ gedaan door natuurlijke personen
SON
PS
Een schenking of een inbreng om niet door een rechtspersoon zonder winstoogmerk
Als de schenker of de inbrenger ook een VZW of een stichting is dan geldt er een forfaitair tarief
ASBL, AISBL et FUP
FP
De hierboven vermelde tarieven zijn van toepassing op 1 juli 2014.
De erkennende instelling moet uiteraard de voorwaarden verbonden aan haar erkenning naleven. Bij niet naleving, kan de erkenning worden ingetrokken.
De overige verplichtingen die dienen nagekomen te worden zijn, het uitreiken van een kwijtschrift aan de schenkers en het overmaken van een afschrift van de uitgereikte kwijtschriften en een verzamelstaat of verzamelattest ervan aan het bevoegde documentatiecentrum van de Administratie van ondernemings- en inkomensfiscaliteit.
Deze verplichtingen worden in detail weergegeven op de website van de federale belastingadministraties , www.fiscus.fgov.be, > meest gestelde vragen (FAQ) > personenbelasting > giften, “E en instelling is erkend om fiscaal aftrekbare giften te ontvangen. Richtlijnen in verband met het uitreiken van de kwijtschriften.”
Verder dient men te noteren dat de individualisering van het recht op aftrek van aftrekbare bestedingen geen invloed heeft op de modaliteiten voor het opmaken van de kwijtschriften (zie circulaire van 14.04.2005 van de Administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit – sector van de directe belastingen, nr. Ci.RH.243/569.664. Deze circulaire kan in FISCONET, de fiscale databank van de federale belastingadministraties, worden geraadpleegd, via het adres www.fiscus.fgov.be, > Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit > fisconet > directe belastingen > circulaires > personenbelasting/vennootschapsbelasting, of via het adres www.fisconet.be > directe belastingen > circulaires > personenbelasting/vennootschapsbelasting).
In hoofde van de begiftigden:
Voor stichtingen van openbaar nut en private stichtingen onderworpen aan de rechtspersonenbelastingen, zijn zowel de schenkingen als de subsidies niet belastbaar.
In hoofde van de schenkers:
Schenkers kunnen voor giften in geld van minstens 40 €, die het voorwerp uitmaken van een fiscaal attest afgeleverd door de begiftigde instellingen, een belastingvermindering krijgen gelijk aan 45% van de giften (wet 13/12/2012 – B.S. 20/12/2012).
Wanneer de schenker een natuurlijke persoon is, mag het totaal van de giften waarvoor de belastingvermindering toegekend is, volgende grenzen niet overschrijden:
Wanneer de schenker een onderneming is, mag het totale bedrag van de giften waarvoor de belastingvermindering toegekend is, de volgende grenzen niet overschrijden :
Bijzonder is de aftrekbaarheid van giften aan instellingen vermeld in artikel 104, 3°, a en b, WIB 92, d.w.z. :
Deze giften zijn bij voorrang aftrekbaar van de prijzen en subsidies, etc., toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars, en die belastbaar zijn op grond van artikel 90, 2°, WIB 92.
Zijn er geen inkomens van die aard of is hun bedrag ontoereikend, dan wordt het eventuele saldo van die giften van het totale netto-inkomen afgetrokken, samen met de andere in artikel 104, WIB 92, beoogde giften en binnen de bovenvermelde grenzen.
Deze formaliteiten worden in detail weergegeven op de website van de federale belastingadministraties, www.fiscus.fgov.be, > meest gestelde vragen (FAQ) > personenbelasting > giften, “Een instelling ontvangt giften die zij ten name van de schenkers fiscaal aftrekbaar zou willen maken. Welke zijn de erkenningvoorwaarden? Welke procedure moet zij volgen om erkenning aan te vragen?”
Bekijk in het bijzonder de volgende punten (bladzijden, 4, 5 en 6)
Samenvatting:
De schriftelijke aanvraag moet ingediend worden bij de Minister van Financiën, uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan de periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd.
De termijn voor het indienen van een aanvraag tot erkenning mag evenwel niet minder bedragen dan 3 maanden vanaf de oprichting van de instelling die de aanvraag indient (verwerving van rechtspersoonlijkheid).
De Heer Minister van Financiën
Wetstraat, 12
1000 Brussel
Bij de aanvraag moeten volgende documenten worden toegevoegd:
1.alle nuttige gegevens zodat de diensten bevoegd om de aanvraag te behandelen kunnen nagaan of de instelling beantwoordt aan de vereiste voorwaarden:
2.een verbintenisverklaring waarin de instelling verklaart:
3.een voor eensluidend verklaard afschrift, van de rekening van ontvangsten en uitgaven van het laatste boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar.
De wetgever voorziet 10 categorieën van instellingen die, mits het naleven van een aantal voorwaarden, kunnen genieten van een fiscale erkenning om giften te ontvangen die fiscaal aftrekbaar zijn in hoofde van de schenkers:
1. instellingen voor wetenschappelijk onderzoek;
2. culturele instellingen;
3. instellingen die de oorlogsslachtoffers, de mindervaliden, de bejaarden, de beschermde minderjarigen of de behoeftigen bijstaan;
4. instellingen voor hulpverlening aan slachtoffers van erkende rampen;
5. instellingen die zich bezighouden met het natuurbehoud of de bescherming van het leefmilieu;
6. instellingen die het behoud of de zorg van monumenten en landschappen ten doel hebben;
7. VZW’s waarvan het doel erin bestaat dierenasielen te beheren;
8. instellingen voor hulpverlening aan ontwikkelingslanden;
9. instellingen die hulp verlenen aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen;
10. erkende instellingen voor duurzame ontwikkeling.
Om erkend te kunnen worden, moeten deze instellingen enerzijds voldoen aan een aantal “algemene voorwaarden” die gelden voor alle instellingen en anderzijds aan “bijzondere voorwaarden” afhankelijk van de categorie waaronder zij vallen
A. De algemene voorwaarden die van toepassing zijn op alle instellingen die een aanvraag indienen, kunnen als volgt samengevat worden:
B.Naargelang het doel van de instelling dient ook nog aan bijzondere voorwaarden te worden voldaan, namelijk met betrekking tot de territoriale uitgestrektheid, alsook met betrekking tot de inhoud van de activiteiten.
Deze voorwaarden worden in detail weergegeven op de website van de federale belastingadministraties, www.fiscus.fgov.be, > meest gestelde vragen (FAQ) > personenbelasting > giften, “Een instelling ontvangt giften die zij ten name van de schenkers fiscaal aftrekbaar zou willen maken. Welke zijn de erkenningvoorwaarden? Welke procedure moet zij volgen om erkenning aan te vragen?”
De belastingsadministratie heeft op 11 mei 2006 een circulaire gepubliceerd met de nieuwe richtlijnen in verband met de procedure en voorwaarden voor de erkenning van instellingen die gemachtigd willen worden kwijtschriften uit te reiken voor giften in geld. Dit document is te vinden op de internet website van de FOD Financiën: www.fisconet.be: Directe belastingen/circulaires/personenbelasting- vennootschapsbelasting/11.05.2006 vrijgestelde gift of
http://www.fisconet.fgov.be/nl/?frame.dll&root=V:/sites/FisconetNldAdo.2/&versie=04&type=cir!INH&
Het antwoord is ja, elke organisatie moet de intellectuele eigendomsrechten respecteren met betrekking tot het gebruik van afbeeldingen of media. Sommige bedrijven maken er zelfs hun missie van om ongeautoriseerd gebruik van afbeeldingen op te sporen en compensatiekosten te innen. Daarom raden we sterk aan om uw website zorgvuldig te controleren, zodat uw stichting niet het doelwit wordt.
We herinneren u ook aan de volgende punten met betrekking tot auteursrechten om mogelijke financiële of juridische gevolgen te voorkomen:
Vrijwilligers werken uiteraard onbezoldigd, maar dit belet niet dat de kosten die de vrijwilliger voor de organisatie maakt, niet kunnen worden vergoed. Hiervoor kan gekozen worden tussen twee systemen:
Je rekent de gemaakte kosten door aan jouw vereniging en toont via facturen of betalingsbewijzen aan welke kosten je hebt gemaakt. Hiervoor geldt geen grens: de werkelijke kosten worden dan vergoed.
Men kan de forfaitaire vergoeding en de vergoeding van de werkelijke kosten combineren voor 2000 km per jaar.
Opgelet: deze bedragen zijn de maximale bedragen per vereniging en per vrijwilliger, voor de hypothese waarin één persoon actief is in verschillende verenigingen.
Wanneer een vrijwilliger een hogere vergoeding zou ontvangen dan deze bedragen, dan moet hij aan de fiscus het bewijs leveren van het feit dat het hier om kosten gaat die werden gemaakt voor de organisatie. Dit kan door het tonen van facturen of betalingsbewijzen: wanneer dit niet gebeurt, dan zou de fiscus deze ontvangen bedragen kunnen beschouwen als inkomsten.
Deze bedragen worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijs.
Wanneer een loontrekkende een vrijwilligersactiviteit verricht en zijn kosten terugbetaald worden, dan worden deze niet gelijkgesteld met het inkomen en zijn er geen sociale bijdrage op verschuldigd.
Om vrijwilligerswerk te doen, zijn werklozen niet langer verplicht om te wachten totdat zij toestemming krijgen. Zij moeten dit enkel vooraf en schriftelijk melden bij het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening. De werkloze moet niettemin beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt.
Mensen die arbeidsongeschikt zijn en een uitkering krijgen, mogen zich inzetten als vrijwilliger voor zover de adviserende geneesheer vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene.
Ook mensen met een leefloon, een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden of een gewaarborgd inkomen voor bejaarden kunnen vrijwilligerswerk doen en dit met behoud van hun uitkeringen.
De organisatie is burgerlijk aansprakelijk voor de schade die veroorzaakt wordt door de vrijwilliger aan de organisatie en aan derden binnen de uitoefening van hun vrijwilligerswerk behalve in het geval van bedrog, zware schuld of lichte fout die eerder “gewoonlijk” dan “toevallig” voorkomt. In deze gevallen dient de vrijwilliger de toegebrachte schade te vergoeden.
De organisatie moet een verzekering afsluiten die de risico’s verbonden aan vrijwilligerswerk dekt. De verzekering moet tenminste de burgerlijke aansprakelijkheid, met uitzondering van de contractuele aansprakelijkheid, van de organisatie dekken.
De mogelijkheid bestaat dat de dekking van het verzekeringscontract naderhand per koninklijk besluit wordt uitgebreid.
Het individueel of collectief arbeidsrecht is in principe van toepassing indien de vrijwilliger zich onder het gezag van de organisatie bevindt met uitsluiting van de wet van 3 juli 1978 m.b.t. de arbeidsovereenkomst.. Dit is het geval wanneer de organisatie die beroep doet op de vrijwilligers het werk van de vrijwilligers dirigeert, opvolgt en controleert.
Overeenkomstig de wet van 3 juli 205 betreffende de rechten van de vrijwilligers kan de Koning de vrijwilligers die bij het uitvoeren van hun vrijwilligerswerk arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, omwille van de aard van hun werk geheel of gedeeltelijk onttrekken aan het toepassingsgebied van:
Voordat de vrijwilliger kan starten, moet de organisatie hem of haar een zogenaamde “organisatienota” bezorgen. Dit document informeert de betrokkene over de organisatie. De belangrijkste bepalingen zijn:
Het bewijs van het afgeven van de organisatienota berust bij de organisatie.
De organisatie mag de vrijwilliger vragen een exemplaar van de organisatienota te ondertekenen voor ontvangst. Bij de ondertekening wordt de datum vermeld.
De wet van 3 juli 2005 (BS. 29 augustus 2005) betreffende de rechten van vrijwilligers werd gewijzigd bij wet van 19 juli 2006, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 11 augustus 2006.
De wet heeft betrekking op het vrijwilligerswerk in België, maar ook op het vrijwilligerswerk dat daarbuiten wordt gedaan maar georganiseerd vanuit ons land (de vrijwilliger moet dan wel zijn hoofdverblijfplaats in België hebben).
Deze wet is van toepassing sinds 1 augustus 2006. Sinds die datum moet elke organisatie die een vrijwilliger inschakelt voldoen aan de bepalingen van de wet.
Vrijwilligerswerk wordt in de nieuwe wet gedefinieerd als elke activiteit die onbezoldigd en onverplicht wordt verricht ten behoeve van één of meerdere personen, van een groep of organisatie of van de samenleving als geheel.
Het moet echter gaan om een activiteit “die ingericht wordt door een organisatie anders dan het familie- of de privé-verband van diegene die de activiteit verricht.”en “die niet door dezelfde persoon en voor dezelfde organisatie wordt verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst, een dienstencontract of een statutaire aanstelling”.
Opgelet:de organisatie mag geen winstoogmerk streven; de handelsorganisaties vallen buiten het toepassingsgebied van de wet. De organisatie mag een private of publieke rechtspersoon, of een feitelijke vereniging(zonder eigen rechtspersoonlijkheid) zijn.
De wet bevat een viertal belangrijke punten:
* de organisatienota
* de aansprakelijkheid en de verzekering
* de vergoeding
* vrijwilligerswerk voor mensen met een uitkering (zieken, gepensioneerden,…).
KENNISCENTRUM